Duimen draaien in Ouagadougou

12 november 2012 - Ouagadougou, Burkina Faso

Ons vorige verslag eindigde met een opmerking over het belangrijkste wat ons toen te doen stond: het verkrijgen van een visum voor Burkina Fasso en Ghana. Welnu, die eerste hadden we zogezegd in een zucht en een scheet, de laatste hebben we nog steeds niet en het begint er steeds meer naar uit te zien, dat we die helemaal niet gaan krijgen. Maar daarover straks meer, laten we eerst maar eens een aantal zaken chronologisch afwerken.

De Sleeping Camel is een verzamelplaats van mensen van allerlei pluimage. Het begint al met de eigenaar zelf, Ian. Volgens Wil een mooie man met een, ook volgens mij, mooie sonore stem. Ooit behoorde hij tot de zwemtop van Engeland. Toen zijn vrouw een baan in Mali kon krijgen, bood hij zijn diensten aan als zwemcoach bij de Malinese Zwembond. Hij werd aangenomen en in die hoedanigheid is hij ook onlangs nog op de Olympische Spelen in Londen geweest. Daarnaast runt hij nog de Amerikaanse Club met een voor ons wat onduidelijke functie en natuurlijk de Sleeping Camel. Daar ook ontmoetten we Mike en Marion, die een paar dagen voor ons waren aangekomen. In slechts vier weken tijd waren zij uit Friesland met hun DAF naar Mali gereden! Het toeval wil, dat we hen bijna eerder dit jaar in Marokko getroffen zouden hebben, als het rendez-vous met Pier Kerkstra, de bouwer van hun DAF en ons Mannetje, was doorgegaan. Sterker nog: we hadden elkaar tegen kunnen komen op die billen-samen-knijpende piste van Fort Bou Jerif naar Plage Blanch, zo dicht zijn we bij elkaar geweest, zonder het te weten. Samen hebben we heel wat uurtjes afgekletst. Zij vervolgen hun reis naar Guinee en daarna nog een paar “moeilijke” landen.

Met sommige mensen maak je gemakkelijk contact, zoals die Nederlandse journalist/schrijver, die werkt aan een boek over de Toearegs en naar Djenné was geweest, maar met anderen totaal niet. Zo was daar dat sigaren rokende vrouwtje, die af en toe in de bar een biertje kwam halen en de indruk wekte of ze aan het werk was. Of die drie Belgische knullen, die stijf naast elkaar gezeten de hele dag computerspelletjes zaten te doen, als er niet gemusiceerd werd. Voornamelijk een van de drie was met allerlei snaarinstrumenten in de weer.

De kortste ontmoeting die we hebben gehad, maar wel een hele leuke, was op de valreep met een Indiër, die in dat hele grappige Engels, struikelend over zijn woorden, enthousiast vertelde, dat hij bezig was met een reis rond de wereld. Over niet al te lange tijd hoopte hij Groenland als 100-ste land aan zijn palmares toe te voegen! Toch binnenkort eens tellen hoever wij eigenlijk al zijn.

Tenslotte was er nog een man uit Wales, visser van beroep, die in drie weken op zijn BMW hier naar toe was gereden. Hem vermelden we vooral omdat hij altijd in gezelschap was van Anniek, een goed Engels sprekend vrouwtje uit Kameroen, zoals later bleek. Hoewel haar service aan hem misschien nog wel verder ging dan alleen gidsen, was het met name die laatste kwaliteit die ook voor ons belangrijk werd.  Anniek werd onze gids voor twee dagen, toen de Welshman vertrokken was en we met de taxi aan onze tocht langs de ambassades begonnen. Een taxi heb je hier dikwijls niet alleen. Als er al een of twee personen inzitten, gaan wij er met z’n drieën ook nog wel bij in. Ze hebben geen meter en het is dus belangrijk de gangbare tarieven te kennen als je een afspraak met de chauffeur maakt. Daarmee verdient Anniek al een deel van haar dagvergoeding terug. Omdat we aan de grens alleen maar een inreisstempel hadden gekregen, moesten we ook voor Mali nog een visum hebben. Zowel Burkina als Mali gingen heel soepel, maar daarna ging het fout. De ambassade van Ghana weigerde een visum af te geven. Op een hondse manier werd ons door de man te verstaan gegeven, dat we een visum in ons eigen land aan hadden moeten vragen. Als je dan een beroep probeert te doen op zijn redelijkheid, tenslotte komen wij toch geld in het overheidslaatje van Ghana brengen, wordt hij alleen maar onvriendelijker om tenslotte, zonder verder nog iets te zeggen, ons gewoon te laten staan. De niet onvriendelijke juffrouw van de receptie fluisterde ons nog in, dat we het visum in Burkina Fasso wel zouden krijgen, hetgeen ons weer wat hoop gaf.

Omdat er voor ons verder geen reden meer was om langer in Bamako te blijven hebben we afscheid genomen van Mike en Marion en zijn we de volgende dag richting Burkina Fasso vertrokken. Op weg naar de grens konden we aan alle onze ervaringen weer een nieuwe ervaring toevoegen, weliswaar weer zo eentje, die je liever had willen missen, maar het levert ontegenzeggelijk stof tot schrijven op. Zoals gebruikelijk zochten we rond 16.30 uur een plekje op, waar we ons kamp voor de nacht konden opslaan. Meestal kost dat weinig moeite en ook nu lukte het al snel en vonden we, niet ver van de weg, een mooie plaats. Maar zoals het gezegde al luidt: “Prijs de dag niet voor de avond gevallen is”, zo bedroog hier ook de schone schijn. Nadat we gegeten hadden en het inmiddels donker was geworden, gingen we een film kijken op de laptop. Dan doen we tegenwoordig wel vaker, omdat we dan verder geen lamp aan hoeven te doen, waar tal van insecten op afkomen. Zo’n uurtje voor het slapen gaan, spuiten we binnen wat insectenverdelger om indringers, die in de loop van de dag toch zijn binnen gekomen, om zeep te helpen. Dit keer zien we voor het eerst ook oorwormen in het interieur. Ik weet niet of oorworm een biologisch verantwoorde naam is, maar het zijn van die enge slanke kruipdingen met aan het eind een schaar, die vaak op vochtige plekken onder stenen zitten en die door de kwartels in onze volière als delicatesse gezien worden. Hoe komen die daar in Godsnaam? Hoe het ook zij, ook zij leggen het loodje als we de spuitbus flink hanteren. Maar daarmee bleek het probleem geenszins opgelost, zo werd ons ’s nachts en de volgende ochtend wel duidelijk. De invasie, want anders kun je het niet noemen, was gedurende de nacht gewoon doorgegaan. Dat betekende dat ze werkelijk overal zaten en ook, dat we niet meer met z’n tweeën in bed lagen. Nog levende oorwormen kropen door ons bed, sommige waren geplet onder ons lichaamsgewicht, maar de bloody limit was, dat toen ik schaars gekleed uit bed kwam, Wil er nog een signaleerde, die uit mijn bilspleet kroop. Echt waar! Er mag gelachen worden! Eigenlijk is het onvoorstelbaar, dat zoveel van die kleine beestjes hun weg naar en in onze auto hadden weten te vinden; ons enige contact met de grond wordt immers door de vier wielen gevormd. Toen we ook in de technische ruimte van ons Mannetje gespoten hadden, kwamen ze met honderden tegelijk naar buiten gedreven op het water van onze lekkende boiler. Inderdaad, je leest het goed, de pechduivel rijdt nog steeds mee: nu is de boiler ook nog eens lek geraakt. Overigens moet de laatste nog meereizende oorworm nog steeds tevoorschijn komen!

Hoewel we popelden om naar Ouagadougou, spreek uit wakadoegoe, te rijden om daar ons geluk bij de Ghanese ambassade te beproeven, hebben we toch eerst volgens plan het gebied rond Sindou bezocht, een landschappelijk heel mooi gebied met ook nog wat toeristische hoogtepunten zoals een meertje waar je nijlpaarden kunt aantreffen, Le Lac  Tengréla, alsmede bijzondere rotsformaties, Les Pics de Sindou geheten. Het begon helemaal niet goed, want we misten de afslag, die we wilden nemen, maar dat merkten we pas, toen we al hoog en breed op een andere gravelroad zaten. En dat dan ook nog eens drie dagen later. Want of het kwam door verkeerd eten of door de beet van een insect of gewoon door de warmte, feit is dat ik me zo slecht begon te voelen, dat ik twee dagen op bed heb gelegen. En dat met die hitte! Hoewel verre van fit, hebben we na die gedwongen rustpauze eerst het meertje bezocht. In de entreeprijs zit ook een boottochtje begrepen. Ondanks dat we geen nijlpaarden hebben gezien (volgens een knul die daar rondhing krijg je ze in deze tijd van het jaar nooit te zien) werd het toch een aardig uitstapje, zo tegen het vallen van de avond. De ondergaande zon in combinatie met dreigende onweerswolken zorgde voor mooie sfeerplaatjes. De Pics, die we de volgende dag bezochten waren ook best wel mooi, maar door mijn slechte conditie en de gekneusde voet van Wil, overblijfsel van onze wandeling naar de waterval, hebben we maar kort gewandeld. De piste voerde door een heel mooi landschap, maar was soms ook wel weer heel spannend. Dan was er van een weg nog nauwelijks sprake en kon je goed zien, dat het pad tijdens het regenseizoen vooral als afwateringskanaal gediend had: hele diepe, door het regenwater uitgeslepen geulen. Andere auto’s komen hier nauwelijks, zodat er zelfs geen spoor is, dat je zou kunnen volgen. Je moet dus helemaal zelf je plan trekken, als je weer zo’n stuk tegenkomt.  Af en toe kregen we weer datzelfde nare gevoel, dat ik hierboven al beschreven heb, vooral als de auto weer eens zwaar overhelt. Ongelooflijk hoe dan de opbouw heen en weer zwaait.

In Bobo-Dioulasso hebben we een dag op Camp Africa gestaan. Veel stelt het niet voor, maar de mensen zijn zeer behulpzaam. Zo is de baas twee keer op zijn brommer voor mij de stad ingereden, om een lokale dongle te kopen. Die werkt perfect, zodat we in ieder geval ook in Burkina Fasso weer kunnen internetten. Hij regelde de volgende dag ook een taxi voor ons, waarmee we een afspraak konden maken om ons langs de lokale bezienswaardigheden te rijden. Bobo heeft onder meer een moskee, die de moeite van het bekijken zeer waard is. Deze is gebouwd in dezelfde stijl als zijn grote voorbeeld in Djenné, Mali, die we helaas niet konden bezoeken vanwege de voor buitenlanders te gevaarlijke situatie. Lokale gidsen bieden aan je door de moskee te leiden en de oude buurt, die er vlakbij ligt. Bouwkundig gezien is het wat mij betreft vooral grappig om te zien, hoe zo’n moskee is opgetrokken. Als je binnen loopt, zie je eigenlijk alleen maar dikke, opgemetselde steunberen, waardoor er weinig ruimte om te verblijven overblijft. Ruwweg geschat wordt 50% van de oppervlakte in beslag genomen door die pilaren, niet iets om constructie-technisch trots op te zijn. Het schaarse licht komt binnen, door ronde gaten in het dak. Als het regent, wordt er buiten een deksel van aardewerk overheen gezet. De wandeling door de oude wijk was ook interessant, vooral die zaken, die niet speciaal voor de toeristen in stand worden gehouden, zoals het maken van lokaal bier. “Shocking” zouden onze Engelstalige medeburgers zeggen, bij de aanblik van het riviertje, waar vrouwen de was staan te doen, te midden van een ongelooflijke hoeveelheid rotzooi. In dit openbare riool zwemmen hele grote vissen, die bovennatuurlijke krachten worden toegedicht, waardoor ze nooit gevangen worden. Hebben die even geluk! Bovendien zal er wel iets van waar zijn, anders zouden ze in dit riool niet kunnen overleven. De oevers van de geul, waar het riviertje doorheen stroomt, zijn nauwelijks te zien, bedolven als ze zijn onder al die vuiligheid en waar niemand zich iets van aan schijnt te trekken. De griezels lopen ons over de rug alleen bij de aanblik al.

De titel van deze aflevering ontlenen we aan de omstandigheid, dat we op dondermiddag even na vieren, eerder mag je met een vrachtauto deze stad niet in, in Ouagadougou zijn aangekomen. Vervolgens zijn we op vrijdagmorgen naar de ambassade van Ghana geweest, daar nog net niet van een koude kermis thuisgekomen (ze hebben met tegenzin de visumaanvraag in behandeling genomen) en we nu, niet erg hoopvol, af zitten te wachten of we a.s. woensdag wel of niet een visum voor Ghana krijgen. De eerste twee nachten in deze stad hebben we bij de missie naast de kathedraal in de tuin gestaan, ons aanbevolen door Anniek. Ook had ze haar “adoptievader” als gids/vertaler aanbevolen, een man waar ze zeven maanden bij in huis gewoond had. Die man bleek een regelrechte ramp te zijn. Hij had in tegenstelling tot zijn “dochter” totaal geen gevoel voor verhoudingen en begon, toen hij in de gaten kreeg, dat de visumaanvraag niet goed verliep, heel popie-jopie-achtig te doen tegen iemand van de ambassade. Ik heb hem beleefd doch dringend verzocht verder zijn mond te houden. Sinds we dezelfde dag nog afscheid van hem en zijn vrouw hebben genomen, hopen we hem niet meer terug te zien. Helaas zijn we voor de ambassade alleen maar telefonisch bereikbaar via zijn nummer, mochten ze nog extra informatie van ons willen hebben. Omdat reizen in dit soort landen zonder paspoort al tot grote problemen kan leiden en omdat we misschien nog opgeroepen kunnen worden, durfden we de stad niet te verlaten. Daarom hebben we maar een hotel met een mooi zwembad opgezocht en daar zitten we nu te duimendraaien in afwachting van het verdict a.s. woensdag.

Foto’s